Drik van Breugel
uit Nieuwendijk, Stoottroeper, 5e Regiment
“Je blijft er aan denken, je hele leven lang..
De Indische wonden slijten nooit
NIEUWENDIJK, 31 aug 2000
- Burgemeester Dorland van Werkendam speldde op 6 oktober 1994 het
“Draaginsigne Gewonden” op de revers van de toen 67-jarige Drik van
Breugel uit Nieuwendijk. Hij kreeg dat naar aanleiding van zijn
verwondingen, opgelopen tijdens de 'Tweede Politionele Aktie' in 1949 in
het toenmalige Nederlandsch Indië. Met een schotwond in de borst en enkele
maanden later het verlies van zijn linkerbeen, heeft hij een zware prijs
betaald voor zijn dienstplicht die hij vervulde voor God, Koningin en
Vaderland, zoals dat in die jaren heette.
Geen genade
Drik probeert zijn
ervaringen als militair in Indië te relativeren, maar de herinneringen
worden in de loop der jaren niet zachter. De vraag naar de zin ervan
dringt zich steeds nadrukkelijker op. “Ondanks mijn verwondingen ben ik
nog steeds dankbaar voor de levenservaringen, die ik als broekie van
nauwelijks 20 heb opgedaan...” Het blijft stil na deze opmerking, maar uit
heel zijn houding blijkt dat de prijs voor die “levenservaring” hoog
geweest is. Toen ik hem 6 jaar geleden daarover sprak zat er al veel
emotie in de weg en dat is er nu, anno 2000, niet minder op geworden.
Hij heeft nog altijd een
emotionele band met de 'Gordel van Smaragd', zoals Indië toen met heimwee
werd genoemd. Die heimwee heeft vooral betrekking op de vooroorlogse
periode, toen de koloniale structuren nog probleemloos functioneerden. Met
de Japanse bezetting en de opkomst van Soekarno's onafhankelijkheidsstrijd
spatte die oosterse droom in miljoenen scherven uiteen, daarbij vele
Indonesiërs en Nederlanders geestelijk en lichamelijk diep verwondend.
Duizenden lieten het leven en vooral de altijd nabije dood, loerend uit de
bush-bush, uit die vriendelijk wuivende klapperboom of gewoon vanaf de
sawah-veldjes, maakte die knapen van nauwelijks 20 in een klap volwassen.
Ook voor de vrijheidsstrijders was de dood een dagelijkse metgezel. Drik:
“Er was nauwelijks kans op overleven bij de botsingen; de haat zat zo
diep, dat ze zich letterlijk doodvochten en wij ook, want de verhalen over
wat er met gevangen genomen militairen gebeurde waren afschuwelijk.”
Berucht zijn de namen van kapitein Raymond Westerling en Ponke Princen.
Westerling, die zonder pardon opkwam voor zijn manschappen en meermalen
flink over de schreef ging bij vergeldingsacties; Princen als de man die
deserteerde en later overliep naar de TNI (Tentara National Indonesia)
Soekarno’s vrijheidsstrijders. Drik's verhaal is er een van de vele die ik
in de afgelopen jaren heb gehoord van oud-dienstplichtigen die in Indië
dienden en samen met het KNIL streden tegen de TNI en in al die
geschiedenissen valt één ding bovenal op: hun emotionele band met de
bevolking en het land, ondanks hun bittere ervaringen tijdens de tweede
helft van de veertiger jaren. Het kon dan ook niet uitblijven: een bezoek
in 1978 en het emotionele weerzien met het land, dat voor een groot deel
zijn leven heeft bepaald, ondanks zijn verblijf van nauwelijks 2 jaar.
'Donderse Brak'
“Ik kwam op in Nijmegen,
bij het roemruchte 5e Regiment Stoottroepen op 5 juni 1947. Na de
opleiding, waarbij al vast stond dat we naar Indië gingen, vertrok onze
lichting op 5 november met het troepentransportschip 'Volendam' met in
totaal 1500 man aan boord naar Batavia. Een reis van nauwelijks 3½ week,
maar door averij, opgelopen in het Suez-kanaal, werden het er 6. In
Batavia stonden twee vrienden, Hans Groeneveld en Jo van Breugel, me op de
kade op te wachten, maar ze hadden me niet gezien. Ik sloop in een
omtrekkende beweging achter ze en toen ze na enige tijd foeterden: "Waar
blijft diejen donderse 'Brak' (bijnaam van Drik van Breugel, TK) nou",
joeg ik ze de stuipen op het lijf met mijn begroeting in plat Nieuwendijks.
De omstandigheden aan boord waren erbarmelijk. Ik had veel last van
zeeziekte. Bij aankomst was ik daardoor bijna 27 pond gewicht kwijt, en
dat voor een manneke, dat van huis uit al vel over been was. Na aankomst
gingen we door naar Makassar, een havenstad op het zuidwestelijke puntje
van Celebes, waar een acclimatiseringskamp was ingericht. Daar leerde ik
ook kapitein Westerling kennen. Tijdens de aanpassingsperiode leerden wij,
groentjes uit Holland, te overleven in de tropen en de kneepjes van de
guerilla-strijd. Nou ja, kneepjes, je hoorde het een en ander, maar wat
dat echt inhield kon je nauwelijks bevatten. Bang was ik toen niet. Dat
komt later, bij je eerste contacten met de ploppers. Als de kogels rond je
oren vliegen. Na enkele maanden gingen we vervolgens per DC-3 naar
Semarang op midden-Java voor het zware werk. We spreken dan over medio
1948.” Hij herinnert zich vooral het dualistische karakter van de Indische
samenleving. “Een bevolking die aan één kant 'senang' (lief, aardig) was
voor de Hollanders, maar ook de wreedheid van de TNI, die bij diezelfde
bevolking kon rekenen op brede steun, afgedwongen of niet. Elke oorlog is
vuil, maar er is geen smeriger oorlog dan een guerilla; voor iedereen die
er mee te maken krijgt. Het verschil is dat ook de burgerbevolking, soms
buiten hun wil, in de strijd betrokken raakt en gedwongen wordt partij te
kiezen. En daar zijn natuurlijk dingen gebeurd die tegen de Geneefse
Conventie waren, maar daar praat ik maar niet meer over. De wreedheid was
er aan beide zijden. De dood was een dagelijkse metgezel.”
De dood als metgezel
Voor Drik ging het voor het
eerst fout op 29 januari 1949 tijdens een actie in een kampong in Bantoel.
“We waren op zoek naar verzetstrijders en wapens. Bij inspectie van de
hutten kwamen we in het onderkomen van de 'kapala kampong', zeg maar de
burgemeester van zo’n kampong. Daar hing een levensgroot portret van
Soekarno aan de wand en ik zei tegen m'n makker Cor Schellekes: "Hier valt
weinig goeds te verwachten". Vrijwel direct viel me een vierkant gat in de
grond op, aan de rand van de hut en ik liet zich daar in zakken. In het
licht van mijn seinlamp ontwaardde ik ondergronds een kompleet wapenarsenaal
... en een schim. In een fractie van 'n seconde waarschuwde ik zijn makkers,
en brulde "datang" tegen de schaduw, wat zo ongeveer betekent: 'kom maar op,
dat ik je bij je donder vat', knipte het licht van mijn lantaarn uit en liet
me opzij vallen, maar ik was niet snel genoeg. Het schot trof me vol in de
borst, onder de long. De schutter ontkwam en ik werd afgevoerd naar een
hospitaal in Semarang. Het was niet mijn eerste confrontatie met de dood.
Die kwam eerder die maand. Onze groep liep in tirailleurslinie (breed
verspreid) naar een verdachte kampong in de buurt van Djokjakarta. In de
alang-alang (hoog gras) zochten we dekking. Liggend onder een klapperboom
spiedde ik met mijn maat de omgeving af en keek ook automatisch naar boven.
Hoog in de boom zag ik hem. Een sniper (sluipschutter), loerend naar mijn
naderende makkers. Ik verstijfde van schrik. Voorzichtig tikte ik mijn maat
Kasran van het KNIL aan en wees naar boven. Die wees naar zijn pistool en
vervolgens naar de sniper. Maar zomaar iemand uit een boom schieten was voor
mij, op dat moment, onbestaanbaar. Kasran bedacht zich echter geen ogenblik
en vuurde, zonder ook maar een moment te twijfelen. De sluipschutter plofte
dood naast ons neer....” Het verhaal komt er zeer geëmotioneerd uit. Een
doodgewone dorpsjongen uit het Land van Heusden en Altena leerde in luttele
seconden de keiharde realiteit van de guerilla-oorlog kennen. Al even
dramatisch was zijn verhaal over de dood van de NAC-voetballer Piet Mak. “We
stonden pal naast elkaar toen een daverend schot een einde maakte aan zijn
leven. Piet was de eerste maat die in mijn bijzijn stierf.... Er liggen in
totaal 17 kameraden van me begraven op de Indische erevelden.” Zijn gemoed
schiet nu nog vol bij het vertellen van het verhaal.
Op een mijn
Op 17 juni 1949 reed Drik
als brenschutter op een van de zes brencarriers, gepantserde rupsvoertuigen
met een mitrailleurs, ter beveiliging van een konvooi van Djokjakarta
(Jakarta) naar Kalioerang (Java). De weg bleek ondermijnd met een
vliegtuigbom, die met een trekdraad vanuit de rijstvelden tot ontploffing
werd gebracht, een oude maar zeer effectieve truc van de TNI. De klap was
immens. Drik en zijn luitenant werden zwaar gewond uit het voertuig
geslingerd, waarbij hij ontdekte, dat het met z'n linkerbeen helemaal fout
zat. Dat bungelde er hopeloos aan. Hij was in een beekje beland, dat al snel
rood kleurde van het bloed. Razendsnel ingrijpen van een 'hospik' voorkwam
dat hij ter plekke doodbloedde. Een zestal opgeroepen Mosquito
jachtvliegtuigen mitrailleerden de rijstvelden schoon, maar van de TNI-ers
werd geen spoor meer gevonden. In het hospitaal in Semarang werd het been
geamputeerd en voor Van Breugel was de oorlog in Indië voorbij. Hij had toen
reeds verkering en maakte zich zorgen om zijn relatie. “Ik weet nog goed dat
ik met de dominee die me kwam bezoeken daarover praatte. Ik zeg tegen die
man: “hoe reageert een grietje als ze ziet dat je maar één been meer hebt?”
Hij krabde zich achter zijn oor en zweeg. Drie maanden later keerde ik met
de Johan van Oldebarneveld en vele honderden gewonden terug naar Nederland,
waar een 're-amputatie' werd uitgevoerd. De provisorische ingreep op Java
werd hier vakkundig afgewerkt: het botte stompje werd opnieuw geopereerd en
keurig eivormig afgerond, zodat ik later gemakkelijker met een prothese zou
kunnen lopen.”
Laat
Beide verwondingen waren in
1994 aanleiding voor de minister van defensie om - 45 jaar na dato - Drik
van Breugel te eren met het Draaginsigne Gewonden. Een veel te late
erkenning van de onschuld van die duizenden dienstplichtigen, die niets
anders deden dan de ongelukkige politieke besluiten van het parlement en de
regering uitvoeren, tegen de op dat moment al heersende wereldopinie in.
Voor Drik liep het nog redelijk goed af, maar heel wat kameraden, jongens
van nauwelijks 20, kunnen het niet meer navertellen. Drik zucht diep en
zwijgt minuten lang. “Het is een prachtig land, maar de strijd in Indië
heeft diepe wonden achtergelaten, en het ergste van al: het slijt nooit....”
door Ton Kuppens (verhaal verscheen eerder in Altenanieuws)