j0094655.wmf (4000 bytes) Woordenboek

zondag 06 maart 2011

Start
Bezoekers
Bijnamenregister
Woordenboek
Informatie ABC
Verhalen van oud Nieuwendijkers
Verhalen
Fotoalbum
Sport
Cultuur
Geschiedenis
Toerisme
Volkslied
Links
Onze afgevaardigde in Werkendam
Nieuwendijk(ers) op YouTube

 

 Het is niet onze bedoeling om een Dikke van Dale voor het Nieuwendijks te gaan samenstellen (dik zijn we zelf al en zoveel tijd hebben we nu ook weer niet). Het gaat ons meer om een lijst van typisch Nieuwendijkse woorden. Omdat het internet zo lekker interactief is (èg ge veur de televisie zit dan kan de wel kankere mar niemand heur ut; hèdde wa te zèke over deuze sijt dan hoef de mar te melen en ge kan kwijt wa ge te zegge het. Verder roepen wij oe op om ok is een woordje in te levere...mee uitleg!!! Ook gezegden zijn van harte welkom!!! De blauwe woorden zijn er het laatst bijgekomen. Ons emailadres is: nieuwendijksijt@ziggo.nl

 

  1. aachterhuis - achterkamer
  2. aachterland - onderontwikkeld  gebied  oostelijk  van den Nieuwendijk
  3. aai - Ei
  4. aaierkoek - eierkoek
  5. aaike - Een eitje. En natuurlijk de strelingen over het hoofd oftewel: een aaike over oeën bol.
  6. aagter de buuke heg - onvindbaar, de weg kwijt
  7. aanderaand - verschillend, afwijkend van elkaar. "Ze zijn aanderaand", "Ik heb twee aanderaande".
  8. aanleggen - op bezoek gaan (kroeg). ergens aanleggen - een bakske vatten
  9. Aanpikkelateur - iemand van de gemeentereiniging die papier prikt
  10. aier - eieren
  11. andievie - andijvie
  12. appel mee bone - Een op het eerste gezicht vreemde combinatie van gedroogde appels met (witte of bruine) bonen, èrpels (aardappels) en een onvervalste rookworst van de Kwant. Ge zijt pas ene echte Nieuwendijker es ge dut een keer geproefd het.
  13. appelesien - sinasappel
  14. asem - adem
  15. asemen - ademen
  16. avaseren - opschieten
  17. bakkes - mond, gezicht. Houd oe bakkes - hou je mond.
  18. bakske - kopje koffie
  19. bangeske - bankje
  20. belaoitafeld - besodemieterd
  21. belderen, deurbelderen - met vuile schoenen door het huis lopen.
  22. benéje - beneden
  23. benukt - gek Zij de gij nou helemaol benukt geworden? - Ben je nou helemaal gek geworden?.
  24. beerput - wc-opvang
  25. begaaien (Gij begaait ut) - Een puin hoop van maken. (Jij maakt er een
    puinhoop van)
  26. beljat, belkattik - ja
  27. belnent, belnentik - nee
  28. bende - een rotzooi. 'tis me daor toch een bende
  29. beren - de beerput leegmaken en de inhoud verspreiden over het land
  30. beslag - beroerte
  31. bietje - beetje
  32. bijnden - binden
  33. bivacceren - verblijven
  34. blaaike - blaadje
  35. bleek - stuk grasland waar vroeger de was op werd gedroogd
  36. Bleek - Vroeger een klein riviertje dat Nieuwendijk met de Biesbosch vervond. Tegenwoordig een sloike van niks.
  37. blènen - blaren
  38. blèren - schreeuwen
  39. blèten - blaten, het schaop staot te blète
  40. 'n bliksem - een slechte vrouw (vooral voor haar man)
  41. bliksemse jong - ondeugende kinderen. Dit werd vaak gezegd door ome Hans van tante Saor (Hannes den Dapper)
  42. blom - bloem. Een boske blomme - en bosje bloemen.
  43. blubber - modder (in de peje tijd zaten wij altijd onder de blubber)
  44. boezeroen - (over(hemd)
  45. bordeke - bordje
  46. borstrok - wollen voorloper van een hemd
  47. bot Laars. Trekt oe botten is aon = Trek je laarzen eens aan. Het woord stamt net als bijvoorbeeld mesjeu uit het frans. Waar je raad het al botte - laars betekent
  48. botjes - houten kinderschaatsen
  49. botter - boter
  50. braaien - breien, ze braait een trui
  51. braoien - braden, vlees braoien
  52. brugguske - brugje Het Brugguske - Hiermee wordt het voormalige brugje bedoeld dat de Kerkweg met het Oslopark verbindt.
  53. bruts - broeierig, wèrm
  54. builtje - zakje
  55. buitenaaf - heel de week weg zijn van huis om te werken
  56. bukkum - Bokking
  57. bukzuut - beurs fruit
  58. burte - buurten, op visite gaan.
  59. dakhoas - kat
  60. Dekske- ut Dekske - Het Dijkje een van de oudste straatjes van Nieuwendijk.
  61. dot - veel
  62. dotje - een kleine hoeveelheid. Een dotje èrrepels - een zeujke èrrepels
  63. doske - doosje
  64. deinsdag - dinsdag
  65. deurdouwer - doorzetter
  66. deurslag - vergiet
  67. deuze - deze
  68. douwen - duwen
  69. dun draai - eerste bocht in de buitendijk
  70. drènen - zeuren
  71. dreuger - droger
  72. dreugweinder - Een witte boon die te drogen is gelegd.
  73. dripselen - ijsberen, drentelen
  74. unnen deuzige - een droogkloot, des me toch unnen deuzige
  75. durp - dorp
  76. èfkes - eventjes
  77. ègeste - hetzelfde / dezelfde. Leet Werkendam nog op het ègeste plekske? - Ligt Werkendam nog op dezelfde plaats?
  78. Eigenheimer - eigenwijs figuur
  79. Ènd - ut Ènd. Het begin van de Rijksweg als je van de huisnummering uit gaat.
  80. èrrebezen - aardbeien
  81. èrrepel - aardappel
  82. errepelschelmeske - aardappelschilmesje
  83. eruit naaien - er vandoor gaan
  84. fezikken - friemelen, rommelen
  85. fik - vinger. Houd oe fikke thuis - Hou je vinger thuis.
  86. fits - fiets
  87. fitsen - fietsen. Ga de mee een èndje fitsen?
  88. foelie ~ aluminiumfolie
  89. frommes - vrouwen, vrouwvolk
  90. frullie - jonge meiden
  91. gaffel - mond
  92. gaai - gij
  93. gèf - knap
  94. gère - graag
  95. geschaaien - gescheiden
  96. geut - vroeger had je nog geen afwatering zoals nu en lag er langs de dijkhuizen een goot waardoor het hemelwater wegliep
  97. gewist - geweest
  98. grip - greppel
  99. gruun mee witte - Snijbonen (doorgaans uit het vat waarin ze met een flinke dosis zout geconserveerd werden) gemengd met witte bonen en niet te vergeten een rookworstje en vaak ook nog verse worst.
  100. gullie - jullie
  101. gunterwijt - verderop
  102. gutsteên - De gootsteen in de aanrecht
  103. guuns - heen, ginds
  104. haaibaai - feeks
  105. haals - kindje. Vaak medelijdend bedoeld. Kek diejen haals toch es - Kijk dat arme kind toch eens
  106. haerm - klein mager babytjes
  107. hannussen - uitvoeren, doen. Wa zijde an't hannusse - Wat ben je aan het doen
  108. hansen - emailen (vrij naar: Hans van (ie)Meel
  109. Hardewijker - gierig persoon
  110. harketuig - gereedschap voor het scherp maken van de zeis en ander gereedschap
  111. harses - hoofd, kop. Hou toch oe harses - hou toch je kop
  112. hedden - hebben. Daor heddum. Daar komt hij. Hedde gij ene kwatta? Heb jij een chololadereep.
  113. heks - knieholte
  114. hendig - handig, aardig, knap
  115. hengelat - vishengel
  116. hènning - hek
  117. hèring - haring
  118. herres - weer (heen en weer)
  119. herrieschot - geluidsscherm
  120. heuren - horen. Hedde ut al geheurd? - Heb je het al gehoord?
  121. heut - hoofd
  122. heutoverkop - van top tot teen
  123. hieel - hele (zie père mee spek)
  124. Hink hokke - je tekende een hinkelhok en ging met je vriendinnen hinkelen
  125. Hittepetit - Een kordate vrouw
  126. hof - (groenten)tuin
  127. hortje - een tijdje, poosje
  128. houdoe - dag, tot ziens (Oorspronkelijk is het een ‘versimpeling’ van de uitspraak “de Heere behoude u”.)
  129. hukke - wat voor, welke. Hukke schoenen had ie aon? Wat voor schoenen had hij aan?
  130. hukken - hurken, op oew hukken zitten = gehurkt zitten
  131. hullie - zij (groepje) daar
  132. hurk - op zijn hurken zitten
  133. huske - WC\
  134. jaanken - huilen
  135. jaankbakkes - huilebalk
  136. jong - kind. Een klèn jong - kleuter
  137. jotteren - heen en weer bewegen
  138. juin - ui
  139. kachel - dronken
  140. kauwauwen - kletsen
  141. Kefoek - Kijfhoek. Een van de bekendste boerdijen in de buurt van Nieuwendijk.
  142. kèk - kijk. Kèk daor is - kijk daar eens
  143. kelderwijnd - dommekracht
  144. kerkbroad - zie muntje
  145. kès - kaas
  146. Kèske - Keesje
  147. ketelpak - overall
  148. keu - varken
  149. kijnd - kind
  150. Kijnds - kinds
  151. kik - geluid. Ik wil ginne kik meer heure - ik wil niets meer horen.
  152. klaai - klei
  153. klauw - hand
  154. klèn - klein
  155. kleppen - kletsen
  156. klompkes - klompjes
  157. klotje - alpino pet
  158. Knelisroos - pioenroos
  159. kneukels - handen
  160. Knotsenschelleft - stapel van oude stronken uit de griend
  161. kod - waterplant met bruine pluim
  162. koei - koe. De koei in z'n kont kijken - Achter de feiten aanlopen
  163. koekenbak - pannenkoek
  164. kommeke - kopje kommeke en een schotteltje - kop en schotel
  165. kopke - hoofdje, theekopje
  166. kopkedieten - haasje over spelen
  167. kouwe - koude kouwe weind - een koude wind
  168. Kouwouwen - kletsen, onzin uitslaan
  169. krèk, krèk-aai - juist, correct
  170. kries - kruisbes
  171. kroot - rode biet
  172. kruskes - kleine pruimen
  173. kwaod - kwaad
  174. Kwats - onzin
  175. kwatta - Chocola, choladereep.
  176. kwek - mond
  177. Kwets - aaneengeregen pieren
  178. laand - land, volkstuin tbv groenten.. Ik ga naor ut laand - Ik ga naar de (volks)tuin
  179. leer ladder Je spreekt leer uit als lieer of soms als lèr
  180. lègere schoal - lagere school
  181. lekke(n) - likken
  182. lers - laars
  183. lest - laatst
  184. linksom - binnenstebuiten
  185. loapen - lopen
  186. logie - horloge
  187. longkortse - longontsteking
  188. looi - Grote baby
  189. lurven -  kladden as ge nie ophoudt, dan vat ik oe bij oe lurven.
  190. lustere - luisteren
  191. mauwen - praten, kletsen
  192. mauwert - zekert, zeurpiet
  193. mèd - meid. Jongens op de mèden was een vangspel op de lagere school.
  194. mèrgen - morgen
  195. mèrtje - markt
  196. mesien - machine
  197. mesisterse broek - Broek van Manchester stof
  198. mesjeu Aanspreektitel van onderwijzer, ontstaan doordat de plaatselijk lagere school eerst een onderdeel vormde van een kostschool (het instituut) waar Frans gesproken werd.
  199. mèske - meisje , een mesje
  200. meuzik - mug
  201. mies, miens - mens
  202. missie - mest
  203. mombakkes - masker
  204. mui - tante
  205. mundjiène - straks, later
  206. murke - de muurtjes op de Buitendijk ( als waterpreventie bedoeld) Op 't murke gaon zitte kauwauwe mee de burt.
  207. muntje - pepermuntje dat je voor de preek toegediend kreeg
  208. neffen - naast neffen oe - naast je
  209. neptang - nijptang
  210. nest - bed (komt oewe nest uit, oewe nest opmaoke)
  211. netterna - hang er van af
  212. nie - niet
  213. nò-nie - Nog niet
  214. nieuwsgirrig - nieuwsgierig
  215. nij - nieuw
  216. oelewapper - stommeling
  217. oepoe -opoe
  218. oew - uw of je. Houd oew bakkes - Hou je mond.
  219. olienotjes - pinda's
  220. ollebaaie - aalbessen
  221. onderlest - onlangs
  222. ontstraand - brutaal
  223. ont Oneerlijk, vals. Onte koek komt altijd uit - Als je vals speelt of liegt komt dat altijd uit. Vies, vuil.
  224. onterik - gemenerik, viezerik
  225. opper - hoop grond
  226. de pad - pad bij dun draai aan de kil
  227. Pakstraat - Zevenbanseweg
  228. pee - suikerbiet. meervoud: peejen
  229. pèr - peer
  230. pèrd en waoge - paard en wagen
  231. hieel pèren mee spek - hele peren met spek
  232. pier - regenworm
  233. piktol, piktolleke - tol
  234. platjes plekke - plaatjes plakken
  235. platte èrrepel - gebakken aardappelen
  236. plee - WC
  237. pliesie - politie
  238. pooieren - peuren. Het met een kwets vangen van aal en/of paling
  239. portefullie - portefeuille
  240. prakkezeren - nadenken
  241. pro knikkerterm. Als de tegenstander de laatste en winnende knikker maar voor het inpikken had, dan kon je door "pro"te roepen het tij nog keren en de knikker op het beginplekje leggen. De tegenstander kreeg automatisch het recht om ook een keer pro te roepen
  242. pro-in-de pot knikkerterm. Zie pro. In feite had de tegenstander al gewonnen want zijn knikker zat al in de pot. Pro-in-de-pot werd meestal alleen maar toegestaan als de verliezer haar of zijn laatste knikker had ingezet
  243. pro-ma-nie knikkerterm. Zie pro. Voordat twee knikkeraars met elkaar aan de slag gingen werden er afspraken gemaakt. Pro-ma-nie betekent heel simpel dat pro niet mag. Later werd de voorloper van Xinix naar deze knikkerterm vernoemd.
  244. raoien - raden, ge raoit ut nooit
  245. raps - rasp, kès rapsen = kaas raspen
  246. rauw-dauwer een onhandig iemand, loopt overal tegen aan, laat alles vallen etc

    'n juffertje, 'n heertje: werd gezegd van iemand uit de stad , die niet in een van de dorpen geboren was. Werd ook gezegd van iemand die in Nieuwendijk geboren was en die in plek van plat nijendijks,a.b.n.sprak.

  247. reishak - speciale bijl voor werk in de grienden
  248. reutemeteut - rotzooi, rommel
  249. rijf - hark
  250. rugt - onkruid
  251. rugten - onkruid wieden
  252. russekoôk - schommel
  253. sauwelèr - zeurpiet
  254. schatse - schaatsen
  255. schelft - riet- of hooistapel
  256. schrèten - schreeuwen
  257. schrétmasjien - Iemand mee een groot bakkes, een schreeuwlelijk
  258. schotteldoek - vaatdoek
  259. schotteltje - schoteltje
  260. schouw - leuk. Da zij wel schouw - Dat is wel leuk
  261. schrèten - schreeuwen. Mies zit nie zò te schrète - Mens zit niet zo te schreeuwen
  262. schroeien - barbecuen
  263. schuif - lade
  264. schup - schop, spade
  265. schurke - schuurtje
  266. seinspaol - houten paal voor elektra of telefonie
  267. sijt - site
  268. sjiemelen - onrustig zijn. Zit niet zo te sjiemelen -zit eens een beetje stil
  269. sjurk. Huismus. Een volgens mooier en passender woord dan het Nederlandse origineel.
  270. smoel - mond, gezicht. Houd oe smoel - Hou je mond.
  271. sloat, sloike - Sloot, slootje.
  272. Snul - naam voor een gerecht dat bereid werd na het slachten van het varken
  273. spouwen - spugen. Spouwkoei - Lama
  274. slaai - sla
  275. slek - slak
  276. slob - losjes. De veters zitten slob. De veters zitten los gestrikt.
  277. staamp - stamppot, we ète staamp
  278. ne stap - vlonder bij sloot
  279. steukeren - stinken
  280. stilleke - postoel
  281. streen - rij. 't was één stréén mee auto's ( een lange rij auto's)
  282. struffelen - struikelen
  283. sturm - storm
  284. sunt - jammer
  285. swijnters - in de winter. Swijnters gaode schatse - In de winter ga je schaatsen
  286. taaike lappen - ijsschotsen trappen
  287. taofek - tafel
  288. terwebroad - tarwebrood
  289. terwebroajen - tarwebroden
  290. tieej - teen
  291. tiènen - tenen
  292. tilleke - open zolder
  293. titol - dwaas, gek
  294. tjal - rechte smalle schop om mee te spitten
  295. tjekeme - luidruchtig eten
  296. toatel - Wankel, wiebelig. De lee stoat Toatel - De ladder staat wankel.
  297. turreke - Pesten of plagen. Zit da jong nie zo te turreke  - zit dat kind nie zo te plagen
  298. uitkruiperke - verstoppertje
  299. uitschaaien - ermee stoppen
  300. vatten - pakken, nemen
  301. vègen - vegen
  302. vèrken - varken
  303. vèrkenshok - varkenshok. Ten tijde van het nog functioneren van de oude school was ut vèrkenshok een gedeelte van het schoolplein. Het hoekje onder het naambord van de school.
  304. vlonderke - stijgertje
  305. vort - er vandoor, weg; ook aansporing voor een paard
  306. vremd - vreemd
  307. vreuker - iemand die zwaar werk doet
  308. vruten - wroeten
  309. vurdeur - voordeur
  310. vurre - voren. Naor vurre - naar voren
  311. vurvertrek - voorkamer
  312. waai - weiland
  313. wa feur - wat voor (iets)
  314. wefke - vrouwtje
  315. weind - wind
  316. weljattik - welja
  317. welnentik (welnent) - welnee
  318. werf - tuin/erf rond je huis
  319. weps - wesp
  320. wèrm - warm
  321. wètten - weten. Wette gij - Weet jij
  322. wijd - ver. Die boom staat wijd weg - die boom staat ver hier vandaan.
  323. wijnter - winter
  324. wijt - ver. Wijt weg - ver weg
  325. witte - weten (witte gaai dè dan nie? - weet jij dat dan niet?)
  326. wurm - 1. worm, 2. klein kind
  327. wurvel - grendel om iets (luiken) mee vast te zetten
  328. zaand - zand
  329. zaol - fietszadel
  330. zefke - zeefje
  331. zeisie - zeis
  332. zèkbal - Bal van niks (voetbalterm)
  333. zèkerd - zeikerd, zeurpiet
  334. zeujke - een kleine hoeveelheid zie: dotje
  335. zoeg - zeug
  336. zooike - kleine hoeveelheid (zie zeujke en dotje). Een rotzooi - hij makt er een zooike van
  337. zullie - zij
  338. zurregen - zorgen
  339. zuut - zoet, stil
  340. zuut is - hou je mond
  341. zuuthouwerke - zoethoudertje
  342. 't Zwart ènd - de is waor Gerrit Oldenburg woant oan d'n Buitendijk vlak bij
    de Buitenkoai oan de Hang en ut End de is woar vrogger Japie Oosterwijk
    gewont het en zo'n bietje alle Tolle

     

Gezegden en uitdrukkingen

  1. Aachter Gurcum - zeer ruime geografische eenheid: zo ongeveer het hele noordelijk halfrond  boven de Merwede

  2. Aaf moeten goan - poepen

  3. Hij komt over - Iemand die wijd weg woont, komt op bezoek en blijft slapen
  4. Bet ie a'k um aai - Bijt de hond als ik hem aai
  5. Bij Sjarreltjes een pilsje pakken - Bij recafé de Pelikaan een biertje drinken
  6. Boven aerde staon - opgebaard staan
  7. Brande gij oew kneukels? - Brand je je handen?
  8. Hij braoit er niks van - hij brengt er niks van terecht
  9. Buitenaf werken - elders aan het werk zijn
  10. Da ge bedankt zijt, da wette - dat je bedankt bent dat weet je
  11. Da's krek wa'k wou - Dat is juist wat ik wilde
  12. De kopkes (de bedde, de raome) doen - de vaat afwassen,de bedden opmaken , de ramen zemen etc
  13. Da nukt me niks - dat kan mij niet schelen
  14. Da wet gin man - Dat weet niemand
  15. Da wette gij nie - Dat weet jij niet
  16. De hort op - niet thuis zijn, er vandoor zijn
  17. Dè doede toch nie - Dat doe je toch niet
  18. De rook nukt de schorsteen uit - De schoorsteen trekt lekker
  19. Dé staot slim - Het staat scheef
  20. De stoep op - de dijk op
  21. Dè wast - dat was het
  22. Dur deurzakke - er door heen zakken
  23. Een aovendje burte -  Gezellig 's avonds bij vrienden, buren of kennissen op bezoek gaan
  24. Een natte kraant - iemand met een veel te mooi pak en met veel inbeelding, die echter in werkelijkheid niet echt veel voor stelt.
  25. Een turfske wentelen - een sjekkie draaien
  26. 't Ènd afgaon - er vandoor gaan, hij ging 't Ènd af
  27. Es ge aon ut ene end van de dijk oewen pink brekt, zijde aon ut aander end doad. - Roddelen en overdrijven.
  28. Es ge een goed verstaand het en ene kurke ziel, dan drijf de locht - Als je een goed stel hersens hebt en een ziel van kurk, dan drijf je licht.
  29. 't gaot aamper - het gaat maar net
  30. Ge lieg ut toch - Het is toch niet waar
  31. Ge zijt helemaol belaitafeld - Je lijkt wel gek, dat kun je niet maoken
  32. Gebid hemme - we hebben gebeden (voor het eten, dus mogen we gaan eten)
  33. Geklutst aai mee rôme - pepmiddel van warme melk met een geklutst ei  en als het koud was ging er ook nog een scheut cognac bij
  34. Guuns en herres - heen en weer
  35. Hettud al geheurd? - Heb je het al gehoord?
  36. Hier zij'k weer - hier ben ik weer
  37. hij is zo maoger es un hermke" - Hij is zo mager als een lat
  38. "Hij lijkend sprékend op z`n voader" - Hij lijkt sprekend op zijn vader
  39. Hij viet ur lucht op - Hij tilde ze op alsof ze zo licht was als een veertje
  40. Hoe hitte gij? - hoe heet jij?
  41. Hoe is't meugelijk - hoe bestaat het
  42. Huib de Baker waarschouwen - De verloskundige oproepen
  43. Hukke sjurken hedde gij op oe heud? - Wat voor mussen heb jij op je hoofd
  44. ik gaai effe un endje de sluis op - van de kil of het centrum richting de 3 sluizen gaan
  45. ‘k heb toch zukke meraaakelse earpel van de jaor, 3 in ne mudzak! - Ik heb geweldige aardappels dit jaar......

  46. ik kom van Uittik en ik wèt van niks - schijnt een uittikker ooit gezegd te hebben toe hij in de buitengebieden rond liep
  47. Ik zie ze al aon komme gepsen - Dat was een dame,  die een nieuwtje had, dat brandde op de tong om het maar door te kunnen vertellen.   Vaak niet zo vleiend over de persoon die het betrof.
  48. Ik zit op de gym. op 't koor : ik ben lid van ...
  49. 'k wèt nie - ik weet het niet
  50. In de klèn jong zitten - Jonge kinderen hebben
  51. Lôp nie te dripselen - heen en weer lopen, maar niets doen
  52. M'n ogen beschieten - een dutje doen
  53. N(e)uk toch op - Maak dat je weg komt
  54. Nie mer te banken - niet vol te houden
  55. Nukt ut doar mer njear - Gooi of leg het daar maar neer
  56. Oep de bonnefooi - zonder voorbereiding op reis
  57. Op alle dag lopen - hoog zwanger zijn
  58. Op de werf - rond het huis, op het erf
  59. Slek op unne bierkaai - kat op het spek
  60. Stao nie zo te drôppen - als je de afwas aan het afdrogen bent, en daar valt wat water op de vloer.
  61. 't boven doen, beneje doen, buitenom doen (nijendijkse huisvrouewe taol) - schoonmaken
  62. Tijding doen - op de hoogte brengen
  63. Van de beën zijn - medische term waarbij de onderste ledematen wel aanwezig zijn, maar hun diensten weigeren
  64. Van wie zijde gij er intje? - Van wie ben jij er een?
  65. Volluk!!! - Is er iemand thuis. Ook wel: Goed volluk!!
  66. Wa doet ur op? - Wat is er aan de hand?
  67. Wa kan mij dè neuken - Wat kan mij dat schelen
  68. Wa lopt te te kwikbillen - Je loopt maar rond, maar komt tot niks
  69. Wa nukt mijn dè - Wat kan mij dat schelen
  70. Wa wot - Wat zou het
  71. Wa zijde ge toch unne piktolleke - tegen een kind dat te draaien zit op z'n
    stoel
  72. 'k wèt nie - ik weet het niet
  73. Wit ik veul - weet ik veel
  74. Zei de nou al wjear vrommes? -  Ben je nu alweer terug?
  75. Zèk op unne riek - Veel geschreeuw en weinig wol
  76. Zij gaot wêer is aale pôttestellinge aaf - Zij is nooit thuis en altijd op visite
  77. Zuut zijn - zoet zijn

Medewerkers

  1. Jeanet Ambachtsheer - van der Stelt
  2. Joke van Andel
  3. Arno van Anrooij
  4. Arie Bakker
  5. Marus Bakker
  6. Els Bogers
  7. Bert Branderhorst
  8. Kees Biesheuvel
  9. Gerard den Bok
  10. Dik van den Boogert
  11. Engelbert van de Broek
  12. Aad van Brouwershaven
  13. Wim Colijn
  14. Dick van Culenborg
  15. Wim Deenik
  16. Bertus Dekker
  17. Chrisje Dolislager
  18. Nelly Donkersloot
  19. Aart Ebert
  20. Leen Ebert
  21. Frank Elders
  22. eMZet
  23. Marian van Giessen
  24. Elly de Graaf
  25. Martijn Groeneveld
  26. O.J. Groenevelt (Sim's son)
  27. Leeuw Heiblom
  28. Letje van Jetse en Aoie uit den Buitendijk (ik zei dur ieen van de Fordjes)
  29. Wilco Heiblom en Jannie de Graaf
  30. Corné Heijstek
  31. Cornelis Heystek
  32. Lies Ippel - Visser
  33. Edwin Kamerman
  34. Kees Kant - Arnhem
  35. Marja Kappel
  36. Pim van der Kleij
  37. Rianne de Leeuw
  38. J.D. Lex
  39. Rinus Lievaart
  40. Arie van Maastrigt
  41. H.M.E. Mandjes
  42. Hans van Meel
  43. Fie van Noorloos
  44. Kees van Noorloos
  45. Sjors van Noorloos
  46. Reinier van der Pol
  47. Patrick van der Pijl
  48. Johanna Pruissen
  49. Adrie Romijn van der Pijl
  50. Ben Schermers
  51. Arie van der Stelt (Woerkum)
  52. Herbert van der Stelt
  53. Fred Straver
  54. Bert Strik
  55. Kees Struik - hofleverancier van woorden
  56. Diny Terlouw - Struik
  57. Remco Terlouw
  58. Carlo van Venrooij
  59. Corine Verweij
  60. Ardy van Vugt jr.
  61. Piet van Vugt
  62. Cees Wijnands
  63. Martin Wijnans
  64. Gerdo Zondag

 

 

Start | Bezoekers | Bijnamenregister | Woordenboek | Informatie ABC | Verhalen van oud Nieuwendijkers | Verhalen | Fotoalbum | Sport | Cultuur | Geschiedenis | Toerisme | Volkslied | Links | Onze afgevaardigde in Werkendam | Nieuwendijk(ers) op YouTube

Deze site is voor het laatst bijgewerkt zondag 06 maart 2011